|
|
||
| Beschouwingen
over
politieke ontwikkelingen en besprekingen van boeken over de politiek, de
maatschappij en de geschiedenis van de Verenigde Staten. Frank Backer Wilt u reageren? Graag: frankbacker@xs4all.nl Eerder geplaatste artikelen: Hervormingen
in de gezondheidszorg aanvaard; hoe verder? Tijd is beperkt voor President Obama’s hervormingen Pleidooi voor een beschaafd politiek debat Inkomensongelijkheid
blijft toenemen in de VS, ook in de recessie Rechts
de straat op in Amerika, maar waar is links? Vaarwel Reagan: de overheid is de oplossing Amerikaanse middenklasse slachtoffer economische groei Is Obama’s overwinning het begin van een “liberal” tijdperk? Hoe zal Amerika er uitzien na de crisis ? The
Big Fix:
Kan Barack Obama de Amerikaanse economie echt veranderen |
Stijging
kosten gezondheidszorg in [10 januari 2010] In 2009 bedroegen de kosten voor de gezondheidszorg in 2009 $ 2,5 miljard. Daarmee kwamen de kosten op een record aandeel van het BNP van 17,6%. Voor een deel wordt dit hoge percentage verklaard uit het feit, dat het BNP in de VS is gedaald. Daarnaast was de stijging van de kosten met 4% historisch laag. Als rekening wordt gehouden met de inflatie in 2009 van 2,7%, dan lag in 2009 de toename van de kosten voor de gezondheidszorg 1,3 % hoger. Ook als rekening wordt gehouden met de inflatie was deze toename een van de laagste in de afgelopen 50 jaar.
De daling in 2009 is naar alle waarschijnlijkheid niet ontstaan omdat de zorgkosten minder zijn gestegen, maar omdat mensen afgezien hebben van zorg omdat zij dat niet (meer) konden betalen, deels omdat zij door ontslag hun verzekering verloren, deels omdat door de recessie het gezinsinkomen is gedaald. Dat blijkt enerzijds uit de afname van doktersbezoek, minder ziekenhuisopnames en lagere uitgaven voor tandarts. Anderzijds nam het aantal mensen dat gebruik maakt van Medicaid, het programma dat gezondheidszorg biedt voor de allerarmsten, toe met 3,5 miljoen. Frank Backer Hang
naar risico geen verklaring voor onverzekerd zijn in Amerika
[1 november 2010]
In zijn opiniestuk van 27 oktober Het artikel van Krauss is een voorbeeld van de
constatering van Tom Daschle in zijn recente boek “Getting it done:
How Obama and Congress Finally Broke the Stalemate to Make Way for
Health Care Reform” dat “gezondheidszorg het symbool [is] geworden
van de kloof in de ideeën
van Amerikanen over de rol van de overheid”.
Daschle, die eerder met anderen een pleidooi voor een radicale
hervorming van de gezondheidszorg schreef, was ondermeer leider van de
democratische meerderheid in de Senaat en lobbyist voor bedrijven in de
gezondheidszorg. Na betrokken te zijn geweest bij de verkiezingscampagne
van Obama zou hij minister van volksgezondheid onder Obama zijn
geworden, ware het niet dat hij zich terugtrok toen een belastingfraude
aan het licht kwam. Maar weg wuiven van problemen zoals Krauss doet is
geen bijdrage tot een oplossing. Wel is het zo, dat jongeren relatief vaker onverzekerd zijn (in de leeftijdscategorie van 18 tot 24 en van 25 tot 34 jaar is ca. 30% onverzekerd, het dubbele van het landelijke gemiddelde). Maar het sterkst tegen de verklaring van Krauss spreekt wel dat juist zij, die met een hoog inkomen (gezinsinkomen van meer dan $ 75.000) het beste een risico kunnen nemen het vaakst verzekerd zijn (slechts 9,1 % is niet verzekerd). Bij de laagste inkomens (minder dan $ 25.000) is 22,3 % onverzekerd. Overigens zullen ook nadat in 2019 alle maatregelen zijn ingevoerd, nog ca. 23 miljoen mensen (waarvan ca. 6 miljoen illegalen) nog steeds geen verzekering hebben. Frank
Backer In verkorte vorm is dit artikel ook als ingezonden brief gepubliceerd in NRC-Handelsblad van 12 november 2010. Lees brief.
Na
werkloosheid valt nieuwe baan tegen in de Verenigde Staten [7 september
2010] Eind augustus 2010
waren 14,9 miljoen Amerikanen werkloos (werkloosheidspercentage was 9,6
%). Dat is een momentopname. Sinds het begin van wat inmiddels de
Grote Recessie heet in december 2007 hebben ca. 36 miljoen Amerikanen te
maken gehad met een of meer periodes van werkloosheid. Dat is ca. 26%
van de 139 miljoen Amerikanen die nu werk hebben. Het is niet meer
dan menselijk om te denken dat een ontslag ook positieve kanten heeft.
Het biedt de mogelijkheid voor ander of beter werk, om die stap te maken
je wel wilde nemen, maar waarvoor je terugschrok om de risico’s. Voor
de meeste Amerikanen, die na een periode van werkloosheid weer aan de
slag gingen pakte dat anders uit. Dat blijkt uit een onderzoek van het
Pew Research Center in mei 2010 op basis van een steekproef onder ca.
3.000 volwassenen. Wat betreft de
verdiensten veranderde er per saldo niet zoveel. Ongeveer evenveel
verdienden in hun nieuwe baan meer (38%) als minder (39%) dan de oude
baan. Maar het blijkt
wel dat in de zeer moeilijke arbeidsmarkt werklozen
sneller een baan onder hun niveau accepteren, om in elk geval iets te
hebben. In de eerste plaats is de nieuwe baan minder vaak iets waar een
eigen identiteit aan ontleend wordt en vaker alleen maar een manier is
om geld te verdienen. Van hen die een nieuwe baan hadden ontleent
slechts 39% er een identiteit aan, in tegenstelling tot 53%
die tijdens de Grote Recessie hun baan niet verloren. De nieuwe baan
is vaker parttime. Voor 13% van hen die een parttime baan hadden is de
nieuwe baan fulltime. Echter voor 26% die een fulltime baan had is de
nieuwe baan parttime. Een periode
zonder werk grijpt diep in het leven in. De meesten verloren één keer
hun baan, maar sommigen verloren twee keer (9%) of zelfs drie of meer
keren (11%) hun baan sinds het begin van de Grote Recessie. Van hen die
weer een baan vonden is 39% verhuisd of heeft daar ernstig over
nagedacht. Nog meer (ca. 60%) veranderde van beroep of heeft daar
ernstig over nagedacht. En 36% heeft bijscholing gevolgd of is weer een
opleiding gaan volgen. Frank Backer Literatuur
Werkloosheid
is er niet voor iedereen in de VS [10 augustus 2010] In juli was de werkloosheid in de Verenigde Staten 9,5%. Dat is lager dan de piek van 10,1% in oktober 2009, maar ver boven de werkloosheid in de twee jaren voor de economische recessie. In 2006 en 2007 schommelde de werkloosheid tussen de 4,4 % en 5,0 %, in situatie waarin bijna sprake is van volledige werkgelegenheid. Wettelijk is de federale overheid verplicht te streven naar een werkloosheid voor de beroepsbevolking ouder dan 16 jaar van minder dan 4 % (1987: Full Employment and Balanced Growth Act), een situatie die nooit bereikt is en ook lastig is bij wet te regelen. In de meeste prognoses ziet het er niet uit, dat in de komende tijd de werkgelegenheid zal verbeteren. Maar een langzaam of te langzaam herstel oogt altijd nog beter dan de recessie die achter ons ligt. In een opinieartikel in de New York Times van 2 augustus 2010 verwelkomt Geithner, minister van financiën het herstel. Banken en bedrijven staan er financieel beter voor, de auto-industrie is weer opgekrabbeld, de gezinnen sparen weer, een deel van de steunmaatregelen is al terugbetaald en de groei van het aantal banen is eerder begonnen dan bij eerdere recessies. Het herstel is, zo erkent hij, nog lang niet voldoende, maar de werkloosheid had veel groter kunnen zijn, als de overheid geen maatregelen had genomen. Geithner verwijst daarvoor naar het rapport van
Blinder en Zandi. Zij laten het effect zien van de overheidsmaatregelen
(stimuleringsmaatregelen en fiscale ingrepen) voor het economisch
herstel. Dat doen zij door de werkelijke ontwikkeling te vergelijken met
hoe de economie er uit zou hebben gezien als er niet was ingegrepen.
Zonder ingrepen zou de werkloosheid eind juni 2010 15,0 % zijn geweest,
dus 5,5 procentpunten meer dan werkelijk het geval was. Maar zij laten
ook zien hoeveel lager de werkloosheid zou moeten zijn om van volledige
werkgelegenheid te kunnen spreken. De maat daarvoor is in gangbare
economische opvattingen die mate van werkloosheid waarbij de
arbeidsmarkt nog ruim genoeg is om ervoor te zorgen dat door krapte en
dus hogere looneisen de inflatie gaat toenemen. (evenwichtswerkloosheid; non-accelerating inflation rate of unemployment,
NAIRU). Volgens Blinder en Zandi zou deze nu 5,5% bedragen. Dat is hoger
dan voor de recessie, maar juist de recessie leidt er toe dat het voor
steeds meer werknemers steeds moeilijker wordt weer een baan te vinden
(Blinder 2010, p. 19 en p. 22). In een zeer kritische column waarschuwt
overigens Krugman in de New York Times juist voor dit soort
redeneringen, waarmee de hoge werkloosheid als structureel wordt gezien
en het dus niet noodzakelijk is maatregelen te nemen (Krugman 2010). Het
werkloosheidspercentage is vooral van belang als economische graadmeter.
De veranderingen over langere periodes geven een betrouwbaar beeld van
de macro-economische ontwikkeling. Maar om de veranderingen van maand op
maand, waar zo gretig naar wordt uitgekeken, goed te begrijpen is het
noodzakelijk te realiseren wat gemeten wordt. Het
werkloosheidspercentage wordt maandelijks gemeten op basis van een enquête.
Werkloos is iedereen, die geen werk heeft, in de afgelopen vier weken
actief op zoek is geweest naar werk en direct beschikbaar is om te
werken. Werkzaam is iedereen, die in de afgelopen week enig werk heeft
gedaan tegen betaling. Nederland
hanteert een definitie van de beroepsbevolking, die afwijkt van de
Amerikaanse en internationale definitie. In Nederland hoort iemand pas
tot de beroepsbevolking als hij of zij 12 uur of meer per week werkt
tegen betaling. Hoe belangrijk dat is blijkt wel uit het volgende. In
mei 2010 was de werkloosheid in Nederland 5,6 %. Zou dat niet volgende
de Nederlandse, maar volgens de Amerikaanse definitie zijn gemeten, dan
zou die 4,1% zijn (BLS Eind juli 2010
waren 14,6 miljoen Amerikanen officieel werkloos. Hoe erg dat ook is,
dat beeld is toch nog te rooskleurig. Allereerst zijn
er mensen zonder betaalde baan, die wel willen en kunnen werken, maar
die om welke reden dan ook niet actief naar werk hebben gezocht in de
afgelopen 4 weken (maar wel in het afgelopen jaar). Ca. 2,6 miljoen
mensen (eind juli 2010), die de reserve arbeidsbevolking worden genoemd,
vallen om deze reden buiten de statistiek. Veel meer mensen
(ca. 8, 5 miljoen) werken noodgedwongen part time. Zij werken wel en om
die reden tellen ze niet mee in de werkloosheidsstatistiek. Wanneer beide
groepen worden meegenomen in de berekening (index U-6), dan is de
werkloosheid 16,5% (BLS 2010 b, tabel A en A-15). Een op de zes
Amerikanen heeft geen werk of zoekt naar voldoende werk. Dat is een
gemiddelde en zegt nog weinig over wie het meest getroffen wordt. Andrew
Sum en Ishwar Khatiwada (Center of Labor Market Studies, Northeastern
University) hebben geanalyseerd hoe de werkloosheid eruitziet voor de
verschillende inkomensgroepen. De cijfers hebben betrekking op het
vierde kwartaal van 2009. Eind december was het officiële
werkloosheidscijfer 10,0 % en de meest omvattende index (U-6) stond op
17,3%. In de laagste
inkomensgroep (een gezinsinkomen van minder dan $ 12.500) is de officiële
werkloosheid 30,8 %. 20,7% van hen die wel werk hebben werken gedwongen
minder uren. Tenslotte is de reserve arbeidsbevolking 9,9 % . Dat staat in sterk contrast met de hoogste inkomensgroep ($ 150.000 of meer). De officiële werkloosheid is 3,2 %, slechts 1,6% werkt gedwongen parttime en niet meer dan 1,6% behoort even niet tot de arbeidsbevolking.
De conclusie van
de onderzoekers laat niets aan helderheid te wensen over. Voor de
laagste inkomensgroepen is woedt op de arbeidsmarkt een echte depressie.
Voor de middeninkomens is er sprake van een ernstige recessie. Maar voor
de hoogste inkomens is er volledige arbeidsgelegenheid en geen sprake
van een recessie op de arbeidsmarkt. Frank Backer Literatuur
Toenemende
economische onzekerheid treft vooral laagste inkomens in de VS [4 augustus 2010] De Amerikaanse economie herstelt zich iets, maar verre van voldoende om op korte tijd de gevolgen van de economische recessie goed te maken. Geen wonder dat Amerikanen zich zorgen maken om hun economische zekerheid. In 2009 was 24% van de ondervraagden zeer bezorgd over de economische zekerheid van zijn of haar gezin. Dat is het dubbele van het percentage in 2007 (Hacker 2010, p. 1). Maar ook voor de recessie waren er voldoende redenen om zich zorgen te maken. Amerika is een zeer welvarend land, maar de snel groeiende rijkdom is zeer ongelijk verdeeld en die ongelijkheid neemt ook nog eens toe. Veel Amerikanen merken er dus weinig van. Want zij wel merken zijn de stijgende kosten van onderwijs en gezondheidszorg en de problemen die zij hebben om na ontslag weer een baan te vinden die evenveel betaalt. In veel gezinnen werken beide partners om het inkomen op peil te houden. Daarbij komt dat veel gezinnen geen financiële reserves hebben en dat hun pensioenvoorziening onvoldoende is of er zelfs helemaal niet is. De ontwikkeling van zaken als werkloosheid, stijgende ziektekosten, oplopende huishoudschulden, tekortschietende pensioenvoorzieningen zijn uitgebreid in beeld gebracht. En hoe de daarmee verbonden risico’s stap voor stap door de overheid is afgewenteld op de burgers is al door Jacob Hacker in zijn “The Great Risk Shift” uit 2006 geanalyseerd. Nu heeft hij met een team op heldere wijze die economische onzekerheid meetbaar gemaakt in wat hij genoemd heeft de “Economic Security Index (ESI)”. De ontwikkeling van de ESI is een onderdeel van het project “Campaign for American Workers” van de Rockefeller Foundation. De ESI is opgebouwd uit drie factoren, die als
belangrijkste oorzaken voor economische onzekerheid worden gezien: De vraag is natuurlijk wanneer er sprake is van economische onzekerheid voor een gezin of een persoon. Hacker definieert op basis van onderzoek een situatie economisch onzeker als zich de volgende twee gebeurtenissen samen voordoen. De eerste is dat het beschikbare (familie) inkomen (gecorrigeerd voor inflatie) van het ene op het andere jaar met 25% of meer gedaald is. Dat komt overeen met periode van drie maanden, waarin geen inkomen is. Het beschikbare inkomen is de som van inkomen uit alle mogelijke bronnen (salaris, uitkering, pensioen etc.) verminderd met onontkoombare uitgaven zoals rente en aflossing van schulden en medische kosten. Het beschikbare inkomen per persoon gecorrigeerd voor de gezinssituatie, om rekening te houden met de voordelen van gezamenlijke uitgaven en inkomsten. Ten tweede kan die daling van het inkomen niet opgevangen worden, omdat er onvoldoende geld beschikbaar is. Daarbij gaat het om geld, dat makkelijk beschikbaar is, dus bijvoorbeeld niet vastgelegd in een huis. Om te bepalen hoeveel geld nodig is om de daling van het inkomen op te vangen wordt gekeken naar de periode, die er normaal voor staat om het inkomen weer op het oude peil te brengen. Als dat financiële gat niet gedekt kan worden met het beschikbare geld, dan is er sprake van onvoldoende economische zekerheid (Hacker 2010, p. 5). De index is berekend op basis van de gegevens die het U.S. Census Bureau sinds 1984 heeft verzameld in het panel-onderzoek “Survey of Income and Program Participation” (SIPP). In deze grote en representatieve steekproef worden ondermeer de gegevens over inkomen en bezit van individuen gedurende twee tot vier jaar gevolgd. Zo is het mogelijk de verandering van het ene op het andere jaar te berekenen (Hacker 2010, p 7-8).
Het
eerste wat opvalt is dat de economische onzekerheid over de afgelopen
kwarteeuw is toegenomen (De trendlijn is berekend t/m 2007). De
onzekerheid neemt toe in tijd van recessie, zoals in het begin van deze
eeuw en neemt af als de tijden verbeteren. Maar ook in de welvarende
jaren voor de grote recessie was de economische onzekerheid hoger dan in
de jaren ’80. Hacker verwacht dat de economische onzekerheid door de
recessie sterk zal toenemen (Hacker 2010, p 10). De tweede
trend is dat over de jaren heen het inkomensverlies (van mensen met een
verlies van meer dan 25%) is toegenomen. In 1985 was het typische
verlies (mediaanwaarde) 39,3%, in 2007 was die toegenomen tot 42%
(Hacker 2010, p 11-12). Niet iedere
bevolkingsgroep heeft een even grote kans op economische onzekerheid.
Het belangrijkste verschil is inkomen. In 2007 heeft een op de vijf
personen in de 20% met het laagste inkomen te maken gehad met
economische onzekerheid (ESI = 20,7%). Dat is twee keer zoveel als zij
in de 20% groep met het hoogste inkomen (ESI=11,7%) (Hacker 2010, p 14). Economische
onzekerheid varieert ook met opleiding (hoogste opleiding laagste
risico), gezinssamenstelling (een-ouder gezinnen hoogste risico) en ras
(zwarten hoogste risico) (Hacker 2010, p 14-5). Opvallend is dat
ouderen, ondanks voorzieningen als pensioen, Social Security en Medicare
toch nog een risico van 10% tot 12% lopen, vooral als gevolg van hoge
medische kosten die zij zelf moeten betalen (Hacker 2010, p 13). De
stijgende medische kosten spelen een rol in de economische onzekerheid,
maar de belangrijkste drijvende kracht is de geleidelijke maar
onmiskenbare stijging van de kans dat het inkomen sterk daalt. Hacker
noemt op basis van onderzoek drie oorzaken. De ESI
geeft een goed beeld van de feitelijke economische onzekerheid. Maar
niet alle elementen die onzekerheid kunnen veroorzaken zijn in beeld
gebracht. Voor sommige mensen kan al het missen van inkomen over enkele
weken een ramp betekenen. Mensen die afzien van medische hulp omdat zij
het niet kunnen betalen kunnen volgens de index economisch er beter aan
toe zijn dan werkelijk het geval is. In de index is voorts geen rekening
gehouden met bepaalde elementen, die evenzeer tot economische
onzekerheid leiden, zoals de daling van het eigen vermogen (zeker in
2008 met de daling van de beurskoersen relevant) of met uitgaven die
welhaast niet te vermijden zijn zoals die om te kunnen gaan werken en
voor kinderen (Hacker 2010, p 20). Het grote
voordeel van de ontwikkelde index is dat hiermee op een heldere manier
de feitelijke economische onzekerheid in beeld is gebracht. Dat neemt
natuurlijk niet weg, dat veel meer mensen zich grote zorgen maken. Frank
Backer Literatuur |
||